2. Donker

‘Huiswerk. Ik kan het niet. Ik ben een prutser. Ik ben dom. Ik kan niet meer hoor. Ik ga niet naar school morgen. En trouwens, ik kom ook niet eten. Gadver. Ik hou niet van bruin brood. Er ligt toch wit in de vriezer? Hoezo mag ik dat niet? Dan pak ik dat zelf wel.’

Even zuchten. Ik zou niet weten wat ik nog voor (on)zinnigs kan toevoegen of tegenwerpen of begrenzen of erkennen. Volgens mij heb ik alles geprobeerd. Mij rest even niets anders dan dit boze gedoe te verduren geloof ik. Ik vind het rot voor hem. En voor mezelf. Toen ik als docent voor de klas stond, lachte ik om en met ‘mijn’ pubers. Thuis kan ik er wel om huilen. Heb ik zo’n last van zijn boze en sombere buien… Het is zondag, zonnig, tropisch warm en inmiddels bijna middag. Nog geen lief monster beneden gezien. Ik probeer het met koffie: ook al zo wennen na alle limonade. Een cappuccino. Heeeeeel langzaam komt er iets naar beneden. Knorrig. Ik knor niet terug. Dat vind ik al een hele prestatie trouwens: terug-mopperen heb ik in een paar weken redelijk afgeleerd (en soms gaat het nog wel eens grandioos mis).

Koffie dus. Geen eten. Ik pak een boek en vertrek zo neutraal mogelijk naar buiten. Dit is puzzelen voor mij: mag ‘ie zo chagrijnig zijn, geen zin hebben en uren als een donderwolk door het huis voortbewegen? Ik keek wel uit toen ik puber had kunnen zijn. Niet eens omdat mijn ouders daar oprecht boos van werden, maar omdat ze me met botte grappen en hun ‘wat een flauwekul’ zover kregen dat ik me toch weer voegde… Kan ik nog steeds last van hebben, van dat gevoeg en het helpt me als ouder ook niet bijster veel in de omgang met mijn lieve monster merk ik. Dan weet ik zelf niet eens meer of ik me aanpas of een eigen beweging maak. Wat vind ik er eigenlijk van? Dan zit ik klem tussen enerzijds mijn lieve monster in vertrouwen met rust te laten: ‘het hoort erbij, laat hem even stoeien met zichzelf’ en anderzijds hem vanuit mijn irritatie (misschien wel halve paniek) blijven bestoken met mijn goedbedoelde adviezen of boze ingrijpen….

De meneer gaat aan de slag met het meest ingewikkelde huiswerk. Dat is trouwens heel fijn hoor, als je een meneer of mevrouw in huis hebt waarmee je deze expeditie kan bestieren. Met bloed zweet, tranen en engelengeduld zit het erop. Wel helpen? Niet helpen? Mopperend helpen? Normaal doen en dan helpen? Stoïcijns helpen? Je neemt je een strategie voor en dan verandert die zomaar binnen 5 minuten. Tuurlijk, wij ouders zijn gewoon maar mensen. En toch zit er in mij een idee dat wij ‘grote mensen’ iets beter moeten kunnen volgen en van bovenaf moeten kunnen kijken dan dit lieve monster in verbouwing dat kan. Vandaar dat ik die taak bloedserieus neem en niet makkelijk wegkom met ‘hallo, ik ben ook maar een mens’. Of dit altijd wijs is? Ik weet het niet, maar zo werkt het hier in ieder geval.

De meneer hier in huis gaat na de huiswerk-missie opgelucht zijn eigen weg (in ieder geval 1 ouder die dat goed kan…) en als ik binnenkom zit het lieve monster nog steeds kwaad aan de keukentafel. ‘Ik ga niet eten. Wat een stomme dag. Kut-huiswerk.’ Ik knik wat en doe de methode van ‘Oh’. (Dat is een goeie hoor. Ik kreeg de methode aangereikt van een vriendin. Als zij het niet meer weet en merkt dat alles wat ze zegt verkeerd valt, zegt ze alleen nog maar ‘oh’ want dan weet haar lieve monster in ieder geval dat ze gehoord is).

En ineens in zijn oneindige wijsheid zegt het lieve monster dat hij even alleen wil zijn. In alle rust. Zonder boosheid. En ik? Ik ga een rondje rennen en kan niet anders dan hem laten weten hoe fijn het is dat hij zo duidelijk laat weten wat hij wil. Dat had ik jaren geleden ook wel willen doen toen ik nog een lief monster van binnen was en ik mijn ‘verbouwing’ niet zo serieus durfde te nemen.

Mijn lieve monster heeft zich herpakt in zijn alleen-momentje en kijkt daarna wat lichter uit zijn ogen. Als ik langsloop mompelt hij iets onverstaanbaars. Als ik vraag wat hij zei, hoor ik een gelaten zucht en een ‘laaaaaat maar, je hoort me ook nooit’. Van binnen voel ik meteen de onrust oplaaien en met vereende krachten kan ik het daarbij laten. Ik gooi er niets snibbigs uit, maar loop rustig door. Net als ik wil gaan zitten, hoor ik ‘mama, zullen we samen zwemmen?’. Gelukkig kan ik er nonchalant ‘oh, goed plan’ uitpersen. Teveel enthousiasme zou zeker weten worden afgestraft met een ‘DOE NORMAAL MAM’. Ik pak m’n zwempak en mijn fiets. Tien minuutjes later springen we samen in het diepe, donkere water. Boven het water schijnt de zon. Het is licht.

Plaats een reactie