5. Real life

‘Mam, ik wil graag dat bier proeven, dat mag ik, want er zit geen alcohol in.’ ‘Nou, dat wil ik niet. Bier is geen optie de komende jaren.’ ‘Dat weet ik wel, maar hier zit geen alcohol in, dus dan mag ik het.’ ‘En toch wil ik het niet.’ ‘Ook stom.’

We hebben dit gesprek al een paar keer gevoerd. Ik ben er niet van, dat proeven van drank waar eigenlijk alcohol in hoort te zitten. Maar ik zie wel de enorme aantrekkingskracht ervan. Hier thuis wordt niet gruwelijk veel gedronken, maar als de flessen op tafel staan, pakt het lieve monster altijd bij wijze van grap een glas en doet net of ‘ie eruit drinkt. Ik roep dan heel hard ‘nee’, hij roept ‘ja’ en vervolgens gebeurt er niks. Ik weet niet zo goed of de aantrekkingskracht nou de alcohol of mijn ‘nee’ is. Juist mijn stellige ‘nee’ zou volgens de meneer hier in huis wel eens tot de zeer duidelijke ‘ja’ van het lieve monster kunnen leiden. In mijn acuut opkomende paniek ben ik ervan overtuigd dat het de aantrekkelijkheid van de alcohol is en dat vind ik een verontrustend spook in mijn leven en dat van mijn lieve monster. Ik zie hem al liggen, out in een berm ergens. Of stiekem op zijn kamer aan de drank. Juist omdat ik er zo spastisch over deed altijd. Of ik voorzie een telefoontje van school ‘mevrouw, uw zoon….. Help. We hadden toch tot vorige week altijd aanmaaklimonade en met een feestje prik op het menu? Ineens voorbij.

Zijn wereld wordt in sneltreinvaart groter en groter. Via tientallen vlogs, schoolvriendjes, idiote challenges, real-life tv. Inspirerend hoor…. Ik zie heus wel het nut van een zelfstandig lief monster dat eigen keuzes maakt, zelf een treinreis uitzoekt en in z’n eentje gaat. Ik verbaas me aangenaam over de vaart en de handigheid waarmee hij een plan smeedt, op tijd op het station is, de juiste spullen in z’n rugzak doet, overstapt. Hij koopt zonder mij zijn schoenen, laat zelf zijn telefoon repareren. Maar moet dat zo snel gaan? Een paar weken geleden was het echt nog anders hoor. Toch? En tegelijk met die grote ‘ik doe het zelf wel’ acties, blijkt een werkboek op de juiste pagina openslaan en een schema erbij zoeken in het bijbehorende leerboek een totaal onmogelijke opgave. Hoe zit dat toch in die lieve-monster-hersenen?

Even terug naar de drank. De meneer en ik hadden een feestje buitenshuis. Het lieve monster bleef lekker in z’n eentje op de hoeve. Konden wij ons prima voorstellen. Vooral de meneer begreep dit volledig: zo dol is hij namelijk ook niet op een feestje. Op weg naar het feest bedacht de meneer plotsklaps dat hij zijn cadeau vergeten was. Snel terug naar huis, door de keuken, naar het cadeautje en daar botst hij tegen het kleine monster op. Dat staat ineens niet meer nonchalant maar geschrokken met een trillip EN met een biertje in de hand in de keuken betrapt te wezen. EEN BIERTJE? Ja. De meneer wist van ellende ter plekke even niets te zeggen hoor ik als hij, inmiddels weer terug op het feestje, vertelt wat hij aantrof. Wel een alcoholvrije. Maar toch…. De meneer had daar in onze keuken iets onduidelijks gestameld en is toen vertrokken, het lieve monster in verwarring achterlatend. En hier staan wij nu, samen: op het feestje. Is het erg? Is het een experiment? Lekker laten gaan? Praatgroep op touw zetten? Ergens voel ik ook een lachbui opkomen. Snap ik niet zo goed, maar ik zie die twee mannen ineens voor me. Ik deel het verhaal met een vriendin. Ondertussen appt de meneer naar het lieve monster en vertelt hem over zijn kramp met alcohol. En bekent dat hij er graag bij had willen zijn: die eerste slok van zo’n stom 0,0% biertje. Ik vind het een eerlijke app.

De vriendin vraagt me of ik wel eens oppaste vroeger. Jawel, antwoord ik. Keek je dan nooit in de kastjes daar? Uh, ja, stiekem wel…. Nou, zoiets is dit ook. Punt. En ze gaat vrolijk verder met het gesprek waar ik haar in allerijl uithaalde vanwege ons ‘drankprobleem’. Oh ja, grapt ze nog tussen neus en lippen: ‘ik paste vroeger ook vaak op en toen vond ik een keer een pijp. Heb ik ter plekke gestopt en half opgerookt. Vies man!’ Op de valreep doet ze nog een duit in het rampenzakje: ‘In z’n eentje thuis? Een biertje? Alcoholvrij? Goeie keus!’ En dat vind ik ineens zo’n fijne opmerking. Meteen ga ik met de meneer hierover in conclaaf en die appt precies dit zinnetje door aan het lieve monster. Nog geen 2 minuten later lezen we met rooie konen het antwoord van ons lieve monster. Hoi pap, ik snap het wel hoor. Ik pas echt op. ‘Hik’.

We doen een dansje, de meneer en ik. Een gek dansje. Niet eens dronken. Gewoon, omdat ik voor dit moment geloof dat het monster niet nieuwsgierig was naar alcohol, maar juist zonder het enge van alcohol eens even een biertje wilde proeven. In z’n eentje. Spannend jongen….

4. Gevoel

De laatste toets is gemaakt. Het lieve monster is een vrij man. De vlag uit! Want het was een zware week mensen… De hitte (4 uur per dag zwemmen, hier om de hoek) en dan nog leren (maximaal een half uur per dag, met youtubers, muziek en appstroom erbij) en ‘weet je wel hoe warm het is in school’ (1 uurtje per dag en dan gauw naar huis). Maar ik onderschat de schoolstress zeker niet, het moest allemaal nog wel even gebeuren en school valt niet in de categorie ‘hobby’s’. Zo stond er voor de laatste dag een grote toets topografie op het programma. Een pittige kluif. Iets te laat aan begonnen, leek mij. Het lieve monster vond van niet. Na een 1e korte poging wat plaatsen en rivieren te benoemen, moest er echt een potje gevoetbald worden. Dus naar buiten, met een kluwen zwetende bevriende monsters. Ik gaf mezelf net tevreden een schouderklopje vanwege het feit dat er nog niet zoveel topografische kennis in het lieve monster zat, maar dat ik het redelijk rustig kon laten bij hoe het was, toen ik een knal en gerinkel heeeeel dichtbij hoorde. De keukenruit aan diggelen. Een geschrokken lief monstertje in de gang. Even heel klein. En ik? Ik knal er uiterst onvriendelijk uit ‘dat dit een keer moest gebeuren natuurlijk’. Nog meer schrik. En boosheid. Ai. Zo zijn we redelijk ver van huis. Ik weet hoe fijnbesnaard het lieve monster is. En dat hij zich kapot is geschrokken van die bal door de ruit. Ik net zo hard. Allebei een akelig gevoel dus. Maar geen sjoege bij het lieve monster. iPad, telefoon en oordoppen aan zijn lijf geplakt en een Berlijnse muur van zwijgen opgetrokken. Ik spreek mijn schrik tegen hem uit en vertaal zijn mogelijke schrik. Geen reactie. Ook zeg ik dat het wel goed komt met de ruit. Dat ik zie dat hij het niet express deed. Hoogstens een tikje onhandig… Een minimaal knikje van achter de iPad. En dan weer boos. ‘Nu kan ik niet meer leren. Door jou. Ik weet helemaal niks meer, het lukt toch niet. En ik ga niet meer naar school. Ik ben ziek morgen.’

Het lieve monster sluit zich op in het washok, ligt bovenop een berg met was. Bekende plek inmiddels. Een soort nestje lijkt het. Het wordt bedtijd. Voor mij in ieder geval en voor hem ook al een poosje, maar hij blijft liggen waar hij ligt. Brommend en snuivend en dan weer stil. Ik besluit hem te laten liggen en zeg op de drempel dat ik het een prima plan vind eigenlijk, als hij morgen niet gaat. Hij kan zelf echt aanvoelen wat het beste werkt en dat ik zie dat leren nu in ieder geval niet gaat. Ik ga naar bed en hoor wat gestommel. Het lieve monster kruipt ook zijn bed in. Vraagt nog snel even of ik hem op tijd wakker wil maken: ‘dan kan ik nog leren, want ik wil morgen toch denk ik’. En dan ‘mama, ik weet het gewoon niet’. Ik blijf uit de buurt van een antwoord maar zeg alleen dat ik hem vroeg wakker maak en dat hij dan wel voelt hoe hij het gaat doen. En het is echt allebei goed: gaan of uitstellen. Inhalen van de toets is immers ook een mogelijkheid. Als hij thuisblijft is dat ook best handig vertel ik hem: de hond moet uit en de glaszetter kan dan een kopje koffie krijgen, want de meneer en ik zijn aan het werk.

Als het lieve monster de volgende morgen ontwaakt, weet hij het nog steeds niet, maar ineens zit het beneden, kleren aan, atlas erbij en we knallen er in recordtijd 74 topografische items in. ‘Mam, nog even nummer 30 tot en met 40.’ En nog een keer. Daarna via het Amsterdam-Rijnkanaal naar Maastricht en weer terug (en ik moet vooral niet juichen als hij bijna alle plaatsen weet: ‘mam, doe normaal, ik stop ermee hoor’) en dan moet ik naar mijn werk. ‘Jij gaat ook altijd weg als er iets belangrijks is’.

En ik denk dat ‘ie wel weet wat ‘ie moet doen, dat lieve monster. Hij gaat naar school, is straks lekker vrij en heeft geen herkansing in zijn vrije tijd. Met een beetje mazzel is de hond ook uit geweest. Als ik bijna in de auto zit hoor ik nog net wat geroep vanuit het huis: ‘Ik laat de hond niet uit en de glaszetter krijgt geen koffie, want ik moet toch naar school joh’.

Het lieve monster haalt z’n hoogste cijfer ooit: een 9,4 voor topografie. Die vindt altijd wel een weg naar thuis. Voel ik even.

3. Feest

‘Ik ga niet mee.’ ‘Huh!? Vorig jaar vond je het toch heel leuk?’ ‘Ik ga niet mee, wat moet ik daar doen, ik ken niemand van jouw familie. Ik blijf hier.’

Eerst maak ik er nog een grapje van, want ik denk dat het lieve monster ook een grapje maakt. Maar hij blijkt bloedserieus. ‘En je kunt er verdrietig van zijn, boos, je mag het egoïstisch vinden, maar ik ga echt niet mee.’ Ik voel inmiddels heel duidelijk dat er NU een nee wordt bedoeld. Een grote dikke nee. Iets kriebelt er in mijn buik. De zin komt inmiddels om de 5 minuten: ik ga niet mee. Het lieve monster blijft buiten hangen, liggen, springen. Komt niet naar binnen. Komt niet eten. Heel sfeerverhogend aan onze eettafel is dat niet. We kletsen wat, turen ondertussen naar buiten, komt ‘ie er nou aan? Wat doen we? Roepen? Vriendelijk uitnodigen maar eens naar binnen te komen? Laten gaan? Ik vrees oprecht dat het lieve monster de nacht zou kunnen doorbrengen buiten. Zo dwars is hij.

De meneer is iets kalmer, maar helemaal gerust is ook hij er niet op. Hij gaat maar eens een praatje maken buiten, krijgt geen respons en keert onverrichter zake terug. Bijna krijgen wij ruzie. De meneer vraagt mij of er iets gebeurd is vanmiddag, waarom doet hij nou zo? Vanmiddag? Het lieve monster en ik gingen samen naar de film. Iets over familie. Dat die je nooit in de steek laat. Dat, hoe erg het ook is, je altijd weer welkom bent bij je ouders. Terwijl ik het vertel, besef ik natuurlijk waar de schoen wringt. En de meneer ook. Het lieve monster kon hier ver vandaan niet bij zijn ouders opgroeien. Is als klein peutertje in ons leven gekomen. Man, wat een geluk toen hij kwam. Eindeloos was en is mijn geduld, mijn liefde. Kun je eigenlijk teveel liefde geven, teveel je best doen, teveel alles willen begrijpen, teveel aankunnen? Ik neig naar ‘ja, dat kan’. Want, oh, wat wilde ik graag dat het lieve monster het goed had met ons. Nog steeds, hoewel ik ook zie dat ‘goed’ steeds meer kleuren kent en dat pijn en verdriet bij zijn, bij ons leven horen. En aan ons om dat een beetje in banen te leiden. Met hulp hier en daar.

De meneer mijmert verder: ‘en dan moet hij na deze film zin hebben en mee gaan naar een familiefeest? Tja.’ Ik kan me inmiddels iets voorstellen van het conflict binnen in hem. Familie. Een gevoelig en belangrijk onderwerp, er is een pijnpunt geraakt. Auw. En in de verte voorzichtig een mogelijkheid om te zien wat een vertrouwen hij ons geeft in zijn duidelijke NEE en zijn eigen beslissing. Durven wij die mogelijkheid te pakken? Ik vind het niet eenvoudig… Alledrie zijn we op onze eigen manier een tikje ontregeld nu.

Het is bijna donker. Het lieve monster komt eindelijk binnen. Een donderwolk. Zegt niets. Kijkt ons niet aan. En ik zie ineens hoe groot hij is geworden. Hoe sterk. De meneer en ik leerden van een wijze man over ‘passend geven en ontvangen en dubbele loyaliteit’ en hoe zat dat ook al weer? Heel helder komt bovendrijven dat de lieve-monsterfase een periode van pijnlijke vragen kan zijn. Voor elk lief monster, maar voor dit liefste monster nog iets meer. Nog heviger ‘wie ben ik en mag ik er zijn en mag ik mijn eigen keuzes maken’. Zoals dat een paar jaar geleden ook al eens speelde. Dat het in deze fase zo belangrijk is om te zien en te erkennen dat hij die keuzes durft te maken, afstand van ons durft te nemen. Dat wij blijven. Hoe spannend ook. En kijk hem nou: hij durft het! Met veel bombarie. Herrie. Shocking voor ons, brave monsters die wij ooit waren….

‘Tosti?’ Vraagt de meneer. ‘Hm.’ ‘Dat dacht ik al, kijk eens.’ Met zijn rug naar ons toe, in de  ultra-mega-relaxstoel, 3 meter van de tafel waar wij zitten, verorbert het lieve monster zijn tosti. Dan verdwijnt hij naar boven. Ik lees een verhaal voor. Hij is heel stil. Zachtjes doe ik zijn deur dicht, ‘slaap lekker lief monster.’ ‘Mama.’ ‘Ja.’ ‘Ik ga niet mee hoor.’ ‘Ik heb je gehoord. Echt. En slaap nog steeds lekker.’

2. Donker

‘Huiswerk. Ik kan het niet. Ik ben een prutser. Ik ben dom. Ik kan niet meer hoor. Ik ga niet naar school morgen. En trouwens, ik kom ook niet eten. Gadver. Ik hou niet van bruin brood. Er ligt toch wit in de vriezer? Hoezo mag ik dat niet? Dan pak ik dat zelf wel.’

Even zuchten. Ik zou niet weten wat ik nog voor (on)zinnigs kan toevoegen of tegenwerpen of begrenzen of erkennen. Volgens mij heb ik alles geprobeerd. Mij rest even niets anders dan dit boze gedoe te verduren geloof ik. Ik vind het rot voor hem. En voor mezelf. Toen ik als docent voor de klas stond, lachte ik om en met ‘mijn’ pubers. Thuis kan ik er wel om huilen. Heb ik zo’n last van zijn boze en sombere buien… Het is zondag, zonnig, tropisch warm en inmiddels bijna middag. Nog geen lief monster beneden gezien. Ik probeer het met koffie: ook al zo wennen na alle limonade. Een cappuccino. Heeeeeel langzaam komt er iets naar beneden. Knorrig. Ik knor niet terug. Dat vind ik al een hele prestatie trouwens: terug-mopperen heb ik in een paar weken redelijk afgeleerd (en soms gaat het nog wel eens grandioos mis).

Koffie dus. Geen eten. Ik pak een boek en vertrek zo neutraal mogelijk naar buiten. Dit is puzzelen voor mij: mag ‘ie zo chagrijnig zijn, geen zin hebben en uren als een donderwolk door het huis voortbewegen? Ik keek wel uit toen ik puber had kunnen zijn. Niet eens omdat mijn ouders daar oprecht boos van werden, maar omdat ze me met botte grappen en hun ‘wat een flauwekul’ zover kregen dat ik me toch weer voegde… Kan ik nog steeds last van hebben, van dat gevoeg en het helpt me als ouder ook niet bijster veel in de omgang met mijn lieve monster merk ik. Dan weet ik zelf niet eens meer of ik me aanpas of een eigen beweging maak. Wat vind ik er eigenlijk van? Dan zit ik klem tussen enerzijds mijn lieve monster in vertrouwen met rust te laten: ‘het hoort erbij, laat hem even stoeien met zichzelf’ en anderzijds hem vanuit mijn irritatie (misschien wel halve paniek) blijven bestoken met mijn goedbedoelde adviezen of boze ingrijpen….

De meneer gaat aan de slag met het meest ingewikkelde huiswerk. Dat is trouwens heel fijn hoor, als je een meneer of mevrouw in huis hebt waarmee je deze expeditie kan bestieren. Met bloed zweet, tranen en engelengeduld zit het erop. Wel helpen? Niet helpen? Mopperend helpen? Normaal doen en dan helpen? Stoïcijns helpen? Je neemt je een strategie voor en dan verandert die zomaar binnen 5 minuten. Tuurlijk, wij ouders zijn gewoon maar mensen. En toch zit er in mij een idee dat wij ‘grote mensen’ iets beter moeten kunnen volgen en van bovenaf moeten kunnen kijken dan dit lieve monster in verbouwing dat kan. Vandaar dat ik die taak bloedserieus neem en niet makkelijk wegkom met ‘hallo, ik ben ook maar een mens’. Of dit altijd wijs is? Ik weet het niet, maar zo werkt het hier in ieder geval.

De meneer hier in huis gaat na de huiswerk-missie opgelucht zijn eigen weg (in ieder geval 1 ouder die dat goed kan…) en als ik binnenkom zit het lieve monster nog steeds kwaad aan de keukentafel. ‘Ik ga niet eten. Wat een stomme dag. Kut-huiswerk.’ Ik knik wat en doe de methode van ‘Oh’. (Dat is een goeie hoor. Ik kreeg de methode aangereikt van een vriendin. Als zij het niet meer weet en merkt dat alles wat ze zegt verkeerd valt, zegt ze alleen nog maar ‘oh’ want dan weet haar lieve monster in ieder geval dat ze gehoord is).

En ineens in zijn oneindige wijsheid zegt het lieve monster dat hij even alleen wil zijn. In alle rust. Zonder boosheid. En ik? Ik ga een rondje rennen en kan niet anders dan hem laten weten hoe fijn het is dat hij zo duidelijk laat weten wat hij wil. Dat had ik jaren geleden ook wel willen doen toen ik nog een lief monster van binnen was en ik mijn ‘verbouwing’ niet zo serieus durfde te nemen.

Mijn lieve monster heeft zich herpakt in zijn alleen-momentje en kijkt daarna wat lichter uit zijn ogen. Als ik langsloop mompelt hij iets onverstaanbaars. Als ik vraag wat hij zei, hoor ik een gelaten zucht en een ‘laaaaaat maar, je hoort me ook nooit’. Van binnen voel ik meteen de onrust oplaaien en met vereende krachten kan ik het daarbij laten. Ik gooi er niets snibbigs uit, maar loop rustig door. Net als ik wil gaan zitten, hoor ik ‘mama, zullen we samen zwemmen?’. Gelukkig kan ik er nonchalant ‘oh, goed plan’ uitpersen. Teveel enthousiasme zou zeker weten worden afgestraft met een ‘DOE NORMAAL MAM’. Ik pak m’n zwempak en mijn fiets. Tien minuutjes later springen we samen in het diepe, donkere water. Boven het water schijnt de zon. Het is licht.

1. Het begin

Jaren geleden werkte ik in het onderwijs. Met veel plezier. Heel veel plezier. Regelmatig prees ik mezelf gelukkig met mijn talent voor een soepele omgang met de puber. In alle soorten en maten, met hun gedoetjes, met hun nukken en hun grappen. Ik voelde me als een vis in het water. Tijdens de bekende 10-minuten gesprekken keek ik vermoeide ouders niet-begrijpend aan als ze lieten doorschemeren even ‘stuk te zitten’ met hun puber-zoon of -dochter. Zo erg was het toch niet? Beetje lucht, tikje humor en dan groeien ze vanzelf groot…

Thuis liep er intussen een gezellige peuter rond. En heel af en toe was er het besef dat ook die peuter ooit een puber zou worden. Daar zou ik tegen die tijd wel raad mee weten. Met twee vingertjes in de neus. Eitje. Grote jongen die mij klein zou krijgen.

En nu is het zover. We hebben hier een grote jongen, een soort buitenaards wezen, rondlopen. Die mij klein krijgt. Die mij haat. Denk ik. Die af en toe meer dood dan levend op de vloer/op de bank/in zijn bed ligt. Waar ik soms van moet huilen. Voor alle duidelijkheid: niet van de lach. Hoe hebben die ouders van toen dat overleefd? Waarom hebben ze me niet gezegd hoe onmogelijk het is? Dat er binnen een maand zomaar een nieuw wezen ontstaat. Hadden ze me niet eventjes kunnen waarschuwen? Ik ben toch zeker geen supermens?

Ja, lieve lezers, jullie zien het goed: ik resoneer lekker mee in de puberdynamiek. Er rustig naast blijven staan hou ik heus wel eens vol, ik maak bergen goede voornemens, maar toch…. Mijn bloeddruk loopt sneller dan ik wil op, mijn hartslag stijgt en de irritatie spuit uit mijn oren. Oh ja: en ik klap soms dubbel van de zorgen. Vandaar deze blog. Om samen met jullie, puber-experts, te lachen, te huilen, ‘oh ja’ te roepen, elkaar een hart onder de riem te steken. Gek eigenlijk, stapels boeken worden over die lieve monsters geschreven. Vele forums opgericht met tips en trucs. We weten allemaal hoe het met het puberende brein gesteld is. Maar het idiote is: al dat weten maakt mij niet perse handiger in de omgang met het lieve monster op de bank. Eerder gefrustreerd: met die kennis in mijn allang-niet-meer-puberende brein, zou ik het toch moeten kunnen? Dat valt behoorlijk tegen.

Mijn voorstel: ik deel hier mijn ervaringen met jullie over mijn lieve monster en wie weet voel je je als worstelende vader of moeder heel eventjes minder alleen en gefrustreerd. Dat wens ik in ieder geval mezelf toe… Misschien laat je een reactie achter. Van harte welkom! Vind ik leuk.

Tips en tops? Hoeft niet, die vinden we meer dan genoeg op andere geweldige plaatsen. Ervaringen? Graag! In de hoop dat we allemaal met wat mildheid naar onszelf en die lieve monsters kunnen kijken. Totdat zij en wij ‘eruit’ zijn. Hopelijk zonder al te veel kleerscheuren. En met goeie verhalen voor later. Maar tot die tijd: even bikkelen!